Home

vrijdag 5 juli 2019

Monica Rotgans






De afgelopen maanden werd ik in gesprekken met collega's en het bezoek aan tentoonstellingen weer geconfronteerd met de enorme veranderingen op het gebied van de beeldende kunsten in Nederland. Concreter, met de ontworteling van het vak die hier radicaler is geweest dan in de ons omringende landen.
Hoe ambacht een vies woord werd, een associatie met braderieen kreeg en pas sinds een paar jaar weer langzaam aan waarde wint.
Hoe de behoefte aan praktische kennis nu toeneemt, hoe weer geweten wil worden om met je handen te werken, om materialen te kennen, de enorme rijkdom aan vakmanschap terug te krijgen die we zo achteloos weg hebben laten sijpelen.

De tekening hierboven maakte ik vorige maand buiten in Frankrijk, in de tuin van La Bagatelle in Melay. Een simpel houtskool op gestructureerd papier. Een oefening in kijken en nuancering. Zinnig om te doen want het haalt je uit je comfortzone. Het neemt ca. 2 uur geconcentreerd werken om de compositie te vinden en dit blad van 32 x 40 cm te vullen.
Het was weer terug naar de wortels van het vak, zoals ik dat leerde op de oude Rijksacademie. Tekenen om de verbinding tussen oog en hand te ontwikkelen, de basis voor het leren werken met andere materialen. Frustrerend toentertijd omdat je natuurlijk direct met het 'echte werk'  verder wilde, schilderen of beeldhouwen en niet zo het nut zag van dagenlang van 9 tot 21 uur te tekenen.
Nu kan ik alleen maar zeggen, ik ben blij dat ik het zo leerde.
En ook hoe herkenbaar en bepalend deze oeroude basis is bij twee meesters die dit jaar in Amsterdam te zien zijn/ waren, Maria Lassnig (links) en David Hockney.
De aanleiding om voor het eerst weer houtskool en papier mee te nemen op reis.



donderdag 4 juli 2019

Eikenprocessierupsen


 Eikenprocessierupsen worden nachtvlinders.


Waarom zijn er deze zomer zo veel eikenprocessierupsen?
Dirk Draulans Knack)

 
De rupsen zijn dunne harige mormels die vooral opvallen door de met oranje wratjes gelardeerde donkere streep op hun lijf, én door het feit dat ze in grote hechte groepen kunnen voorkomen. Hun naam danken ze aan hun gewoonte om in kolonne - processie voor minder militair geïnspireerde geesten - over een eikenstam te paraderen op zoek naar geschikte plaatsen voor hun voeding. Ze eten meestal 's nachts.

Overdag rusten ze hoog in hun eikenboom, dicht op elkaar gepakt in nesten van vervellingshuidjes, uitwerpselen en afgevallen brandharen. Klinkt cosy! De rupsen vervellen een keer of zes voor ze volgroeid zijn. Pas vanaf een bepaalde lengte ontwikkelen ze brandhaartjes met weerhaakjes die ze ter verdediging zelfs naar een aanvaller kunnen afschieten.

De haartjes kunnen lang nadat de rups vlinder geworden is, aanwezig blijven in haar leefomgeving. Ze kunnen op de grond vallen of meegenomen worden door de wind. Ze zijn irritant en lokken jeuk en uitslag uit bij mensen die ermee in contact komen. Er is weinig aan te doen.
Alomtegenwoordig

De eikenprocessierups is een warmteminnende soort uit Zuid-Europa. Sinds een jaar of twintig is ze alomtegenwoordig in onze regionen - ze profiteert ongetwijfeld van de klimaatopwarming. Warme en droge periodes zijn alles wat ze nodig heeft om te floreren. En eiken natuurlijk, want eikenbladeren vormen haar enige voeding.

Wetenschappers hebben onlangs enkele eigenaardigheden ontdekt, die maken dat eikenprocessierupsen extra succesvol kunnen worden. Doorgaans overwintert de soort als eitjes hoog in de bomen, waar de vlinder ze na paring in het najaar gelegd heeft. De rupsen sluipen uit op min of meer hetzelfde moment als de eikenbladeren ontluiken. Zo kunnen ze meteen beginnen eten.

Voor ze vlinder worden kruipen rupsen in de grond aan de voet van een eikenboom, waar ze verpoppen. Men heeft echter ontdekt dat poppen één of meerdere jaren in de grond kunnen blijven zitten. Zo zou de populatie zich kunnen aanpassen aan specifieke weers- en andere omstandigheden. Die ondergrondse reservepopulatie maakt het extra moeilijk om efficiënt tegen de soort op te treden.
Verdelging

Verdelging met insecticiden heeft uitsluitend zin in de eerste fasen van het rupsenbestaan. Eens de brandharen er zijn, zijn de rupsen er veel minder gevoelig voor. De enige oplossing is dan het uitbranden of op andere manieren verwijderen van de nesten in de bomen. Een omslachtig en dus duur werk.

    Het valt te vrezen dat we met de eikenprocessierups moeten leren leven.

Gelukkig hebben de rupsen natuurlijke vijanden, parasieten en andere. Koolmezen kunnen zelfs de diertjes met brandharen aan. Ze schudden er eerst eens goed mee, zodat de rupsen het grootste deel van hun haren afgeschoten hebben voor de mezen ze opslokken. De haartjes lijken de vogels niet te deren. Ook de kauwen waar N-VA-burgemeester Theo Francken van Lubbeek vanaf wil omdat ze hem overlast bezorgen, staan erom bekend dat ze graag en soms massaal eikenprocessierupsen eten. Maar de soort uitroeien gaan ze niet doen - zo zit de natuur niet in elkaar.

Het valt dus te vrezen dat we met de eikenprocessierups moeten leren leven, en dat we niet veel anders kunnen doen dan proberen de populaties op plekken waar veel mensen zijn onder controle te houden. De natuur werkt helaas niet altijd mee.