English Cottages and Gardens | Facebook
Ik was op verre zeeën tuk. Nu zoek ik bij mijn peeën geluk. Een omheind streepken aarde volstaat, en draagt de waarde van een daad. (Richard Minne)
Home
zaterdag 24 juli 2021
woensdag 21 juli 2021
klaver
Lotus corniculatus is een plant uit de vlinderbloemenfamilie.
Variëteiten
Ereprijs
Ereprijs (Veronica) is een groot geslacht van planten. In Nederland zijn er 23 wilde soorten bekend. Daarnaast zijn er ook nog een aantal soorten in cultuur. Er zijn overblijvende kruiden maar er zijn ook soorten die eenjarig zijn. Wereldwijd zijn meer dan 500 soorten bekend.
W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.
Akkerereprijs | Veronica agrestis L.
Klimopereprijs | Veronica hederifolia L.
Gewone ereprijs | Veronica chamaedrys L.
Mannetjesereprijs | Veronica officinalis L.
Veldereprijs | Veronica arvensis L.
Grote ereprijs | Veronica persica Poiret
Tijmereprijs | Veronica serpyllifolia L.
De naam Ereprijs komt van het Duitse Ehrenpreis (15de eeuw), een samenstelling van Ehre, d. i. eer, en een afleiding van preisen, d. i. prijzen, loven. De planten werden dus niet Ereprijs genoemd omdat ze na een of andere wedstrijd met een ereprijs bedeeld werden, maar wel omdat ze, volgens Dodoens (1618), “eer ende prijs oft loff” verdienen en die planten dus wegens hun geneeskrachtige eigenschappen “met alle eer te prijzen zijn”.
Volgens dezelfde uitgave uit 1618 van Dodoens’ kruidenboek is er een onderscheid tussen Eerenprijs Manneken en Eerenprijs Wijfken, twee verschillende soorten Ereprijs die toch moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn en die door de landelijke bevolking dan maar met manneken en met wijfken benoemd werden. Zo is de huidige naam Mannetjesereprijsontstaan voor Veronica officinalis L. en het Eerenprijs Wijfken komt overeen met Tijmereprijs, Veronica serpyllifolia L., een Ereprijssoort waarvan over de bladeren met enige toegeeflijkheid gezegd mag worden dat ze lijken op de bladeren van de Tijmplant. Dit onderscheid tussen manneken en wijfken had, zoals bij mannelijk en vrouwelijk Bingelkruid, in de tijd van Dodoens niets te maken met geslachtelijke verschillen of met de voortplanting bij planten, want daar had men toen nog geen duidelijk idee over.
F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein
Ereprijs (veld), Veronica arvensis
Veronica: deze naam heeft aanleiding gegeven tot meerdere uitleggingen. Men beweert dat de naam afkomstig is van de heilige Veronica. Een andere uitleg is dat de naam ontstaan is uit ‘vera’ en ‘unica’ dat wil zeggen de ‘enige ware’, want eertijds gold de plant als zeer geneeskrachtig. De naam kan ook ontstaan zijn uit de Griekse woorden phero = ik breng, en ‘nike' = zegen, omdat de plant bij vele ziekten genezing teweegbracht.
Arvensis: de plant groeit meestal op akkers of groeide vroeger vaak op akkers.
Veldereprijs: Ereprijs dat is eer en lof, Het kruid werd enorm gewaardeerd vanwege zijn heilzame werking.
Kaasjeskruid
Kaasjeskruid (Malva) is een geslacht van kruidachtige planten uit de kaasjeskruidfamilie(Malvaceae).
W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.
Groot kaasjeskruid | Malva sylvestris L.
De vruchten van deze plant hebben de vorm van een kleine, ronde, afgeplatte Goudse kaas, zodat de naam van de plant daarmee makkelijk verklaard is.
F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein
Kaasjeskruid (groot), Malva sylvestris
Malva: is afgeleid van het Griekse malache, dat weer afstamt van malasso, dat week maken betekent. Het kruid bezit namelijk verzachtende eigenschappen dat komt omdat ze veel plantenslijm bezit.
Sylvestris: bosbewonend, silva = bos, de plant groeit ook in bos.
Groot kaasjeskruid: de naam Kaasjeskruid is afkomstig van de vorm van de vrucht, die aan een ronde platte kaas doet denken. De eenzadige partjes sluiten zo fraai aaneen dat ze samen een kaasje lijken te vormen.
H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam
Málva | Málva sylvéstris: Groot kaasjeskruid
De naam Malva is afgeleid van het Griekse malache, dat weer afstamt van malassoo, dat week maken beduidt. Het kruid bezit namelijk verzachtende eigenschappen, daar ze veel planteslijm bezit. De naam Malva schijnt door Plinius voor het eerst gebruikt te zijn. De wetenschappelijke soortnaam sylvestris: bosbewonend (silva: bos) is in zoverre misleidend dat de plant bij ons niet in de bossen voorkomt maar langs dijken en wegen, en op bouwland; in het algemeen op plaatsen niet ver van menselijke behuizingen. Daar zij reeds in de middeleeuwen in de hoven als geneeskruid gekweekt werd, is dit groeien op dergelijke plekken niet zo vreemd.
Van de in ons land voorkomende soorten van dit geslacht is het Groot kaasjeskruid wel de meest algemeen voorkomende. De toevoeging ‘groot’ kreeg hij ter onderscheiding van een soort - Klein kaasjeskruid - van kleinere afmetingen, die ook kleinere bloemen heeft. De bevolking maakte zo goed als geen onderscheid tussen deze twee soorten. Het Klein kaasjeskruid kreeg de wetenschappelijke naam van Malva neglécta, dat verwaarloosde, vergeten of over het hoofd geziene malva beduidt. De naam Kaasjeskruid attendeert op de vorm van de vrucht, die aan een ronde platte kaas doet denken. Behalve deze naam komen we vele dialectische en gewestelijke vormen tegen, zoals: Kaasjes, Kaasjesblad(!), Kaasjesbloem, Keesjesbloem, Keesjeskruid, Keeskes en Kaaskes.
De bevolking zag in de vorm van de vrucht behalve kaasjes ook platte broden en zo ontstonden namen als Broodjes, onder meer op Tholen, Broodjeskruid in Zuid-Limburg, terwijl men op Zuid-Beveland en Walcheren sprak van Franse broodjes.
Dodonaeus maakte reeds onderscheid tussen de twee soorten en beschreef ze als Groote maluwe en Cleyn Maluwe. Dit maluwe is niets anders dan een afleiding van malva. In Engeland spreekt men van Mallow, in Frankrijk van Mauve en in Duitsland van Malve. De vorm van de vruchtjes heeft ook aanleiding gegeven tot de naam Hemdeknoopjes in Noord-Limburg. Waarschijnlijk is deze naam overgenomen van Duitse volksnamen uit het nabije grensgebied en wel van Hemdknopp of Hemderknöppkes.
Minder gemakkelijk thuis te brengen zijn de namen Kattekaas(jes) in oostelijk Brabant, en Kattekeezen en Kattekiezen in Zuid-Limburg. Ook hier zal het nabije Duitsland wel een rol gespeeld hebben, want vele dergelijke namen komt men daar tegen, zoals Katzenkäse in het algemeen spraakgebruik, Katten-kees in Sleeswijk-Holstein en Katzenkäschen in Oost-Pruisen. Waarschijnlijk is deze naam afkomstig van kinderen, die de vruchtjes als een soort brood beschouwden en ermee speelden. Reeds O. Brunfels schreef in 1532 ‘die klein Pappelen seind zwar den kindern bekannt, die die Kaesslin darum sammeln, und mit spyelen.’ Niet alleen speelden de kinderen met de vruchtjes, zij aten ze ook op.
Een naam die nog moeilijkheden oplevert wat de verklaring betreft is die van Ogenstekers in Waterland. Dr. C. Bakker vermeldt niets omtrent het gebruik bij oogziekten in zijn ‘Volksgeneeskunde in Waterland.’ Wel werden aan het bij ons zeldzame Vijfdelig kaasjeskruid (M. álcea) eigenschappen toegeschreven die het gezichtsvermogen konden verbeteren. Het is mogelijk dat deze eigenschappen aan het meer algemeen voorkomende Groot kaasjeskruid plaatselijk ook toebedacht werden. Bij gebrek aan het zeldzame vijfdelig kaasjeskruid? Dit te meer omdat alcea een plant is van Midden-Europa en in Waterland nu niet direct algemeen voorkomend. Men noemde dit kruid oudtijds Herba Simeonis, naar de oude Simeon, die zich gelukkig prees omdat zijn ogen nog de Heiland hadden gezien. Zie hiervoor Lucas 2: 25/32. Uit deze benaming Herba Simeonis zijn de namen Sigmanskruid en Sigmaardskruid ontstaan. Deze namen zullen overgenomen zijn uit oude Duitse kruidboeken, waarin gesproken wordt van Sigmarwurz, Sigmarskraut en dergelijke. Een andere Duitse volksnaam, die wijst op de geneeskrachtige werking van de plant op het gezichtsvermogen, is Fellritsof Fellriss, hetgeen zoveel wil zeggen dat het kruid het vlies (staar) van de ogen kan wegnemen. Ook Augenpappeln komt voor, en wel in Silezië. In Frankrijk sprak men van Herbe de Saint Simon. Tot zover het Vijfdelig kaasjeskruid.
De naam Kerkhofbloem, voor Friesland opgetekend, moet wel van een zeer oude oorsprong zijn volgens ons, want bij de Ouden was de Malva een grafbloem en werd op de graven van overleden familieleden en vrienden geplant. We zijn benieuwd of deze plant aldaar nog voor dit doel wordt aangewend. Bij de volgelingen van Pythagoras was zij een heilig kruid en mocht dan ook niet gegeten worden.
Dat de Malva in hoog aanzien stond tegen allerlei ziekten en kwalen, blijkt overduidelijk uit de oude Latijnse benaming van Herba omniumorbium of anders gezegd: het kruid voor allerlei ziekten. We zullen enkele van die ziekten noemen zonder naar volledigheid te streven: bij longtuberculose, als gorgeldrank, bij tandzweren en ontstekingen aan de amandelen, als pleister op verzweringen en wonden nadat het aftreksel van de bladeren op een linnen doek gelegd was, maar ook als verzachtend smeerseltje, als papje of brij voor ditzelfde doel. Ook als purgeermiddel kwam het aftreksel in aanmerking. In een oud Spreekwoordenboek van 1727 heet het:
‘De maluw heet dus in ’latijn, gelijk men acht,
Omdat zij zonderling, gebruikt, den buik verzacht.
Haar wortel zal, geschraapt, den darmen ledig maken!
En vrouwen aan den vloed der stonden doen geraken.
Reeds Plinius vertelt dat een beker van het sap uit de planten getrokken alle ziekten van het lichaam houdt. Behalve als afrodisiacum werd de plant bij de Ouden ook als geboortebevorderend middel aangewend. Zo schrijft eeuwen later Konrad von Megenberg (1303-74) nog het volgende: ‘Wenn man ainen undersatz darauz macht ainer swangern frawen sô wirft ez die geburt zehant (direct) auz als man spricht.’
Behalve als geneesmiddel werd zij bij de Ouden ook als groente gebruikt en wel als sla of spinazie. Men gebruikte daar niet zo zeer de wilde plant voor als wel de gekweekte. Het verwondert ons dan ook niet de plant in de Capitulare de villis te zien opgenomen. Deze Capitulare de villis in 795 uitgevaardigd door Lodewijk de Vrome is een verordening waarin aanwijzingen worden gegeven welke kruiden, planten en bomen op zijn landgoederen moesten worden aangeplant, hetzij voor voedsel hetzij als geneeskruid of voor beide. Men treft onze plant aan onder ‘Malvas’. In de codex Medicamentorum Neerlandicus treft men haar aan onder Flores malvae: de bloemen van het Groot kaasjeskruid.
Tot slot nog een sage: Toen Jezus nog klein was gebeurde het eens dat zijn moeder hem geen brood kon geven omdat er geen geld was, en de bakker niet wilde borgen. Toen vroeg hij aan zijn moeder welke plant er voor hun huis groeide en zijn moeder antwoordde hem, dat het Malva was. Hij sprak tot zijn moeder: ‘Breek een stengel van de plant a£ en betaal daarmede de bakker.’ Zonder weerspraak brak Maria een stengel af en ging er mee naar de bakker. Deze sprak: ‘Wat moet ik hiermee doen, die plant groeit hier overal.’ Maar tot zijn grote verbazing hingen aan de dichtbebladerde stengel klompjes goud die de vorm van broodjes hadden. Maria kon toen weer brood kopen en van die tijd af brengt de plant kleine broodjes (de vruchten) voort, die de honger kunnen stillen.
PS
call hem yellow yellow (Donovan)
https://www.irishexaminer.com/lifestyle/arid-20459130.html
Hortensia
HORTENSIA - (SIERHEESTER)
Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki
Oudere attestaties (voor 1844):
- Eenige byzonderheden, de plant hortensia betreffende. In: Vaderlandsche letterkunde (1804) [1]
- Herkomst van verscheiden boomen, planten, vruchten enz., tegenwoordig in Europa vrij algegemeen verspreid. In: Vaderlandsche letterkunde (1808) [2]: "de Jasmijn van de kust van Malabar, de Hiacinth uit Indie, de Balsem uit Arabie, en de Hortensia uit China"
- Fragmenten, Rusland betreffende. In: Vaderlandsche letterkunde (1813) [3]: "[...] voor een open raam, voorzien van oranjeboomen en hortensias in bloei"
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen
hortensia [sierheester] {1844} < modern latijn hortensia; de naam werd bedacht door de Franse botanicus Commerson, die de plant in China ontdekte tijdens de reis om de wereld van Bougainville (1766-1769); genoemd naar Hortense, de vrouw van Commersons reisgenoot Lepaute.
J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden
hortensia znw. v., in de 18de eeuw < fra. hortensie ‘hydrangia hortensia’, de naam van een plant, die in 1767 door de botanicus Ph. Commerson in China ontdekt werd en waaraan de naam gegeven werd van Hortense, de vrouw van de uurwerkmaker Lepeaute (1723-1788), die met beiden deelnam aan de wereldreis van Bougainville.



