"Thijs en Judith zijn amper getrouwd wanneer Thijs een hartaanval krijgt. Op de dag dat hij thuiskomt uit het ziekenhuis slaan de buren aan het verbouwen. Schoonzus Cora en zwager Ab besluiten dat een pan soep niet afdoende is: er dient stevig uitgerust te worden. Daartoe wordt een
boswachterswoning gehuurd op een landgoed, voor de hele zomer maar liefst, met zijn vieren. Echter: nergens op aarde is het écht rustig, en eenmaal op het landgoed aangekomen blijkt daar een verbeten strijd gaande, ogenschijnlijk over een boom. Een strijd die op bloedstollende en evenzeer dolkomische wijze uit de hand loopt."
Enkele citaten:
“Al spoedig ontdekte ik dat Govert om de andere zin ‘maakt niet uit’ zei en ‘dat moet iedereen zelf weten’ en toch intussen zeer strikte ideeën had over tuinieren. Er was eigenlijk maar één goede manier en dat was de zijne. Hij slaakte zo’n loeiende kreet toen hij zag hoe ik mijn slabonen had geplant, dat ik vooroverviel van schrik”.
“En dan leg je de lat neer” (73).
“De courgetteplanten die ik van hem had gekregen leken wel bezeten. De dikke stengels zochten zich een weg over de grond, tot aan de sloot toe, vertakten zich ... “ (100).
“'Dat mosterdzaad? Dat is nog een plán, hè, dat is nog een plán.' 'Een mens met een plan is een mens met een toekomst” (102).
Nooit proberen te begrijpen! Zien en constateren, dat is mooi genoeg. Begrip wordt zwaar overschat.” (104).
Ze zeggen: “Neem een andere tuin.” Maar deze tuin, dit is mijn kind. Het is mijn verleden en mijn toekomst. Mijn ouders werkten hier, ik werk er nu in, deze tuin…”
“Deze tuin is uw zuster,’ citeerde ik. ‘Achterberg’.
“Kenny doet daar natuurlijk niks aan. Die heeft het steeds over permacultuur, waarmee hij bedoelt dat hij niks doet. (108).

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.