woensdag 15 maart 2017

Rodoreda: Tuin aan zee

In 'Tuin aan zee' observeert een oude wijze tuinman zes zomers lang een schatrijke familie in een luxueus buitenverblijf aan de Spaanse kust. Ogenschijnlijk leiden ze met hun mondaine vrienden een bruisend leven vol onbezorgde verrukkingen, maar gaandeweg ontwaart de tuinman steeds meer barstjes in het sprookjespaleis van zijn werkgevers. De broeierige sfeer komt tot ontlading als een joviale parvenu besluit om pal naast het hunne een nog weelderiger zomerverblijf te bouwen. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat er tussen sommige bewoners aan weerszijden van de heg banden bestaan waar niet openlijk over gesproken kan worden. En zo doorlaatbaar als de haag van buksbomen tussen de twee belendende percelen, zo dun blijkt de scheidslijn tussen affectie en wreedheid, tussen ambitie en zelfverraad, tussen kalverliefde en kille wraak, tussen leven en dood.
Mercè Rodoreda (Barcelona 1908 - Girona 1983) is de meest gelezen en meest vertaalde Catalaanse auteur. 'Tuin aan zee' verscheen in 1967, een jaar na 'In de Cameliastraat', maar ze was er reeds in 1959 aan begonnen. 'Tuin aan zee is een belangrijk boek voor mij, omdat het de weg heeft vrijgemaakt voor mijn andere romans.'


Aurelius

"Mensen zoeken een stille plaats om zich terug te trekken op het land, aan de kust of in de bergen. Ook gij pleegt daarnaar bovenal te verlangen. Maar dit is
een heel onwaardig streven, daar ge op ieder moment dat ge wilt tot uw Zelf kunt inkeren. Nergens kan een mens een kalmer of vrediger verblijfplaats vinden dan in zijn eigen ziel. “

Marcus Aurelius

Buysse & Claus



Terugkeer van de markt uit 1894, Zomerse dag uit 1895: impressies uit het Leieland tussen Gent en Deinze zoals Emile Claus ze in die jaren met voorliefde schilderde. In zijn boek met herinneringen aan Claus staat Cyriel Buysse dertig jaar later uitgebreid stil bij zo'n zomerdag, een ‘glanzende augustus-morgen’ in 1894 waarop hij tijdens een wandeling in die omgeving op een landweg tussen afgemaaide korenvelden een gezelschap van zes dames en heren tegenkwam...
DBNL

zondag 12 maart 2017

Delerm: Engelse tuin en laan


Engelse tuin: een laan op zijn Engels

"De open ruimte in zijn hof had niet de pretentie de benaming ‘Engelse tuin’ te verdienen waarmee onroerende goederen zo geestdriftig worden aangeprezen. Maar er was wel de bekoring van de oude kweeperelaar, die als prieel diende, en verder de twee appelbomen, de kersenbomen, de linde, die er in de loop der jaren waren geplant.” (19).

“Maar wat het hoge gras betrof kwam hij op het idee een laan af te bakenen in het verlengde van het loofportaal. Een laan op zijn Engels, niet meer dan 3 m breed, tussen al die stengels door die bijna manshoog waren. Hij had dat al eerder gezien bij tuinen in Engeland, in tijdschriften en fotoboeken. Het effect was iedere keer weer verrassend. De zo ontworpen laan leek de idee van vrijheid te vermenigvuldigen met die van beschaving. Aan de weerszijden van een kortgeschoren laan was het hoge gras geen wanorde, Geen verwaarlozing meer, maar een door nonchalance en luisterrijke bloei gekenmerkte stijl. Tegelijkertijd niet dat smalle spoor van kort gras blijken dat je greep op de werkelijkheid had – als je je al liet overvleugelen, dan was dat aan de kant, voor je plezier, en voor de stijl; maar je gaf daarbij ook blijk van een axiale strengheid, die het voortaan beteugelde beginsel van plantaardige woekering zijn volle waarde verleende. (70).

“De idee van een tuin berustte geheel en al op dat evenwicht tussen het weinige wat je maait, wat je ontwerpt, en al het andere wat jou beheerst, terwijl je doet alsof je het temt”. (70)

Delerm: tuin verzorgen



‘We moeten onze tuin verzorgen’: dat zinnetje bleef maar door zijn hoofd spelen, maar meer nog het commentaar dat er in het leerboek bij werd gegeven: ‘In plaats van ons op te scheppen met de ontmoedigende indruk van een fatalistisch pessimisme, biedt het slot van Candide ons juist een praktische remedie tegen het kwaad dat in de wereld heerst’.

Met afkeurenswaardig egocentrisme moest Sébastien wel toegeven dat hij veel minder op   zoek was naar ‘een remedie tegen een kwaad dat in de wereld heerst’, dan naar verlichting van een kwaal die in hemzelf heerste. Daardoor kwam het feit dat hij letterlijk zijn toevlucht tot de tuin nam hem niet alleen voor als een mogelijke bron van rust, maar ook als een vlucht” (29-30).