zaterdag 11 maart 2017

Delerm: maart & zaaien


“Op een morgen had Sébastien zichzelf erop betrapt dat hij met andere ogen naar de tuin keek. Uiteindelijk lag daar voor hem, binnen het bereik van blik en daden, een ruimte, een ommuurd stuk grond van de virtuele gehoorzaamheid, van onderworpenheid, waarin zijn verkrampte geest troost kon vinden, of een uitweg. Maar het was al maart, en ondanks zijn matige agrarische kennis was jij niet onbekend met de spreuk:



‘Met Sint Katrien opgenomen

Heeft wortel geschoten.’



Geen sprake van, aan het begin van de lente ook maar een esdoorn te planten. En als het om bloemen ging…” (18).



“Hoe dan ook, de kunst van het zaaien houdt de wijsheid van het wachten in, en Sebastiaan wilde onmiddellijk tot daden komen, met een spectaculair resultaat. Dat was het moment waarop het idee van het loofportaal zich opdrong. De open ruimte in zijn hof had niet de pretentie de benaming ‘Engelse tuin’ te verdienen waarmee onroerende goederen zo geestdriftig worden aangeprezen. Maar er was wel de bekoring van de oude kweeperelaar, die als prieel diende, en verder de twee appelbomen, de kersenbomen, de linde, die er in de loop der jaren waren geplant.” (19).

Delerm: Het Loofportaal



"Er moest een loofportaal komen in het bijna geometrische middelpunt van de tuin" (16).



“In het midden van de tuin begon zich een vage cirkelvormige beweging af te tekenen tussen het perk met berken en het bosje brem en vlierstruiken. Daar opende zich een doorgang: en juist daar ontbrak iets, het kleine detail dat zin zou geven aan het geheel, dat twee halfronden zou doen ontstaan, plotseling aan de tuin van Guermantes en de tuin van Swann zouden denken. Vier palen, twee dwarsbalken, en op die noodzakelijkerwijs sobere structuur zouden weldra mauve-roze golven van clematis uitstromen, klokjes van kamperfoelie met hun bedwelmende, honingzoete geur. Op zondagavond een zo een botterik van de goede wil vragen waar toch die in de zoete van het duister opstijgende geur vandaan kwamen en dan zouden de mensen antwoorden: ‘Dit is het loofportaal van Sébastien’. (19).

“Nee, zeker geen pergola! Een pergola, dat riekte naar kwijnend raffinement, naar gekunsteldheid, naar een soort gesteven aanmatiging, gemaskeerd door italianiserende nonchalance. Natuurlijk had het woord portaal – poriticus – onprettige gymnastische connotaties, en bovendien voelde hij zich ondanks zijn goede wil niet in staat een constructie te bouwen die stevig genoeg was om er een schommel aan te hangen. Maar in het woord  porticus school ook de idee van hellenistische wijsheid. Je zag filosofen in witte gewaden in de stoa rondwandelen, bezig hun gedachten uiteen te zetten met een volmaakte lichaamsbeheersing, die de rust van hun ziel weergaf. Misschien zou Sébastien onder zijn lofportaal het vermogen terugvinden zichzelf te kennen en te aanvaarden? In porticus zat ook het woord porte, deur, het teken van een doorgang waarvan de betekenis rondging, maar die door het bouwen meer inhoud zou krijgen. (20-21).

“De woorden ‘tuin’ en ‘loofportaal’ waren zonder dat hij erop lette vaste vormen gaan aannemen in Sébastiens gedachten. Meer nog dan de strikte tuinbouwkundige realiteit, Brachten ze onduidelijke filosofische connotaties over die voor hen uiterst vaag bleven, verbonden met enkele grotendeels vergeten lesuren van zijn eindexamenjaar. “

Hij zoekt in de Griekse wijsbegeerte.
“‘Tuin’ en ‘stoa’ kwamen verscheidene malen in het trefwoordenregister voor, en Sébastien verliet de winkels met de dikke pil onder zijn arm. “ (64).
Zie verder verwijzingen naar tuin en stoa bij Epicurus en de stoïcijnen.

woensdag 8 maart 2017

Ijsland

Laura Broekhuysen, Winter-Ijsland


Er zijn deze lente al vierduizend schapen bezweken, kwarten van kuddes. Niemand weet nog dat de vulkaan de boosdoener is, de zwavel die de sneeuw in de grond heeft achtergelaten.
De lente is van oudsher het seizoen waarin de dieren stierven, milli heyja og grass, tussen hooi en gras. Het hooi is op, groen gras laat op zich wachten. Ik zie schapen knagen, hongerig, aan giftige lupines. Ik vraag me af of ik ze weg moet jagen, iets kan voeren.

(…)

IJslanders beschouwen de lupine, een eeuw geleden geïmporteerd om de barre grond vruchtbaar te maken, als onkruid. Het sloeg zo goed aan dat het grassen verdrukt.