Van Deyssel over de tuin in Een Liefde:
De sparren, in boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weêrszijde, doften, morden samen, zwart-van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs de oprijlaan, hun pluimen van gedweëe, over elkaâr neêrvallende veêren verhieven, mengde zich een strook drooger, lichter groen tusschen de donkere sparren. De vloer van den tuin was van strepen gras en kleine grasvlakten, tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En alom, den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of uitgelegen in den zacht-gelenden glans.
En verder:
Lodewijk van Deyssel waagde het als eerste om een personage expliciet de hand aan zichzelf te laten slaan, en nog wel een vrouwelijk personage ook. Zijn durf moet extra geprezen worden omdat hijzelf als jongetje voor het slapengaan door zijn vader een soort van dwangbuisje kreeg omgebonden dat de manuele stimulatie onmogelijk maakte. In zijn debuutroman Een liefde (1887) zit Mathilde, de vrouwelijke hoofdpersoon, in haar tuin te verlangen naar haar afwezige geliefde Jozef. Het duurt lang voordat je als lezer in de gaten hebt dat al die verhitte waarnemingen van bomen en struiken erotische fantasiezijn, maar dan gebeurt het: 'Haar beenen krompen samen omhoog, haar buik huiverde te-rug. Haar schrikkende handen grepen naar haar geslachtsdeel. Het slijm sapte uit haar openzijgenden mond, heete trillingen ijlden in haar achterhoofd, haar geslachtsdeel spoog zijn wellustvocht in het stijve stugge hemd.’(Herman Franke, Onaneren onder de palmboom - Archief - VK).

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.