Tolstoj: Anna Karenina
Merlijn de Boer, 'Koolsoep en griesmeelpap' – De Groene Amsterdammer
Wel spreekt me Tolstojs openhartige en tamelijk snobistische voorwoord bij Oorlog en vrede aan (zo ver was ik nog wel gekomen), waarin hij uitlegt dat hij bij voorkeur over graven en vorsten schrijft, onder meer omdat hij zich nu eenmaal niet kan verplaatsen in de geesteswereld van boeren, schildwachten, koetsiers en kooplieden. Zoals hij ook niet ‘kan begrijpen wat een koe denkt wanneer ze wordt gemolken’. Hij eindigt dit voorwoord met: ‘De lezer weet nu tenminste wat voor iemand ik ben en wat hij van mij kan verwachten. Er is nog tijd genoeg om het boek dicht te slaan en mij aan de kaak te stellen als een idioot en een conservatief.’
Ik las voor het eerst iets van Tolstoj op mijn achttiende: Anna Karenina, in de vertaling van A.M. Wasiltsjikow. Wat me in de jaren daarna vooral bijbleef waren de geweldige passages over het personage Lewin en zijn leven op het platteland. Ik vond dat toen de mooiste natuurbeschrijvingen die ik ooit had gelezen, sterker nog: Tolstoj opende mijn ogen voor de schoonheid van de natuur, want daar had ik tot mijn achttiende erg weinig aandacht aan besteed. Later leerde ik de zo mogelijk nóg mooiere natuurbeschrijvingen van Paustovski en Toergenjev kennen”.
(...)
Maar terwijl Anna Karenina me Siberisch liet, vond ik Anna Karenina wederom een fantastische leeservaring. Vanwege bijvoorbeeld de stijve en handenknakkende Karenin, die nauwelijks toegang heeft tot zijn eigen emoties en worstelt met zijn eergevoel; vanwege Kitty en Varinka die in al hun zuiver- en goedheid Tolstojs tegenvoorbeeld waren voor de ‘gevallen’ Anna; vanwege de prachtige scène waarin Varinka en Sergé hun liefde voor elkaar onuitgesproken laten terwijl ze paddenstoelen zoeken; vanwege de vrolijke Oblonski wiens goede humeur van de pagina’s straalt; vanwege de prachtige jachtscène waarin het perspectief tijdelijk bij hond Laska komt te liggen; vanwege de passage over de dood van Ljovins broer, als hij wordt verzorgd door Kitty; maar vooral vanwege de geweldige Ljovin.
(...)
De scène waarin hij een dag lang zelf de zeis ter hand neemt en met de boeren mee gaat maaien, vind ik het absolute hoogtepunt van de roman. ’s Avonds legt hij zich moe maar tevreden neer op een hooiopper, terwijl hij eenzaam toeziet hoe de boeren gelukkig zijn. Hij wil hun leven leiden. Hij blijft er de hele nacht liggen en vangt dan nog, in een schitterende scène, een glimp op van zijn aanstaande vrouw in een rijtuig. Ze zijn ships that pass in the night. Later vinden ze elkaar voorgoed.
Ik besefte na deze tweede lezing dat Ljovins opvattingen en gevoelens nauw aansluiten bij wat Tolstoj later schreef in Mijn biecht. Het begint al met de scène waarin hij met Oblonski uit eten gaat in een chique restaurant en eigenlijk liever koolsoep en griesmeelpap zou eten dan de drie dozijn oesters, de soep met peentjes, de ‘tarbot in dikke saus’, gevolgd door roastbeef, kapoentjes en fruitsalade die zijn vriend laat aanrukken. Ljovin heeft een afkeer van dit mondaine leven. Hij is een natuurmens, toegewijd aan zijn boerenbedrijf en wil niets liever dan zo gauw mogelijk de stad weer verlaten.
Na de dag maaien met de boeren komt hij dolgelukkig thuis. Tegen zijn halfbroer zegt hij: ‘Je kunt je niet voorstellen hoe heilzaam zo’n werkdag is, je bent gelijk al je idiote gemier en gepieker kwijt. Ik ga de medische wetenschap verrijken met een nieuwe term: arbeidskuur.’

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.