Na de wandeling in het bos (zie stukje hiervoor) zat ik te schrijven met de tuindeur open. Het was afgelopen zondag, toen het zulk mooi weer was. Ik dacht nog aan dat bos, en aan al dat plastic, en aan een zeker breekpunt. Een kritiek punt waarop de boel het begeeft en instort. Soms kan ik niet geloven dat het nog niet is gebeurd.
Hier in de achtertuin, tegen het huis aan, bloeit een enorme blauwe regen. Twaalf jaar geleden plantte mijn moeder hem daar. De stam is nu zo breed als twee pakken melk naast elkaar. De paarse trossen (meer paars dan blauw) doen de takken loom naar beneden hangen, zo zwaar zijn ze. En zo talrijk. Alles is paars. De rest van de tuin (een stadstuintje) lijkt er slechts nog te zijn om de blauwe regen te accomoderen.
Ik zat te werken. Een paar trossen hingen vlak voor de open tuindeur. Het gezamenlijk gezoem van de hommels en bijen was zo luid dat ik de pianomuziek van Ten Holt niet meer hoorde. Het gezoem van het leven zelf. De frequentie van het al. Het Ohmmmm van Tibetaanse monniken.
Maar ook de bijen sterven. Hoe lang horen we dat al? Hoe lang worden we er al voor gewaarschuwd? Dat het slecht gaat, en slecht blijft gaan. Dat de bijen geen kans hebben. Iedere keer dat je hoort weer dat weeïge gevoel in je hart. En zo kan het dat ik rouw om de bijen die van mijn blauwe regen drinken. Ik zie ze, ze zijn er nog, maar ze zijn dood. Blijkbaar leef ik in een herinnering. Blijkbaar droom ik.
Ik was op verre zeeën tuk. Nu zoek ik bij mijn peeën geluk. Een omheind streepken aarde volstaat, en draagt de waarde van een daad. (Richard Minne)
dinsdag 2 mei 2017
Bijen en gouden regen
Henk Van Straten. nl.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.