dinsdag 13 mei 2014

Naipul: raadsel van de aankomst



Naipul, V.S.(1987), Het raadsel van de aankomst. Amsterdam: Arbeiderspers. 1988.
 Naipul, V.S. (1987), The Enigma of Arrival. London: Viking.

Ooit las ik Naipul en ik noteerde de volgende inzichten:


“Zoveel dingen om voor te zorgen! Zoveel verschillende dingen om in verschillende tijden op te kweken! Het leek wel alsof Jack op zoek was naar werk, op zoek naar taken, alsof hij zijn best deed zichzelf bezig te houden. En toen rees de gedachte bij me op, dat het hier om méée ging dan om werkzaamheden, om het doorbrengen van de dag; dat het om
méér ging dan geld, het extra geld dat Jack misschien kon verdienen door zijn planten en groenten te verkopen. Op dat stukje grond (…) leek Jack zijn levensvervulling te hebben gevonden.” (41).

“De nieuwe mensen in de andere daglonershuisjes deden niet wat hij had gedaan. Ze schenen weinig hart te hebben voor het stukje grond dat bij hun woning hoorde. Of ze zagen het anders; of ze hadden een ander idee van het leven.” (59).

Het tweede leven in Wiltshire:
“mijn tweede gelukkige kindertijd, om zo te zeggen, mijn tweede aankomst (maar nu met het waarnemingsvermogen van de volwassene) bij de natuur en de kennis daarvan, gecombineerd met de vervulling van die oude kinderdroom over een veilig huis in het bos. “ (108).

“Nu kwam ik, een buitenstaander, het aanschijn van het land weer iets veranderen; nu kwam ik doen wat ik – zo bewust – anderen had zien doen: een mogelijke ruïne scheppen.” (109).

“Maar ik had niet eenmaal een fototoestel op mijn wandeling meegenomen en misschien kwam het daardoor – doordat ik er geen zichtbare neerslag van bezat – dat al die dingen juist een grotere scherpte verkregen. Want al gauw bestonden ze alleen nog maar in mijn hoofd.” (113).

“Dus schreef ik in mijn dagboek. Maar ik liet heel wat dingen weg die de moeite van het noteren waard waren, dingen die ik jaren later een stuk belangrijker zou hebben gevonden dan wat ik toen opschreef.” (130).

 “Een tuinman behoorde bij de plantages, het grootgrondbezit, uit het verleden.” (274)

“De literatuur of de filmkunst had aan het woord ‘tuinman’ wellicht een andere inhoud kunnen geven (al kan ik me daarover geen film herinneren). Maar mijn kennis van het woord sloeg op moerasland, plantages, op moeizaam verworven tuinderijtjes, en was was de kennis die ik meenam naar Engeland. Dat was de kennis die ten grondsalg lag aan mijn voorstelling van een tuinman bij P.G. Woodhouse, mijn voorstelling van de tuinman in Richard II die poëtisch converseert met een wenende koningin. En het kon niet anders of ik deed nieuwe kennis op. In London had je de tuinlieden van de grote parken. Er was een tuinman op mijn college in Oxford, een zachte, humorvolle, pijp rokende man met een optreden alsof hij een van de docenten was (vond ik). Maar zoals ik in de volkstuintjes naast de spoorlijn langzaam de oorsprong was gaan zien van de tuinderijen op de Aranguez, zo keerde bij mijn oorspronkelijke voorstelling van de tuinman terug – louter omdat ik op het landgoed terechtkwam (met zijn laatste nagalm van een groot herenhuis vol bedienden) en rondom mij de resten zag van een landbouwbestaan op grote schaal (de verre, verworden oorsrpong van de plantages op trinidad)…
 (274-275)

“Mijn huisbaas hield van gladiolen; Pitton kweekte ze voor hem in de tuin. Alan had er een gruwelijke hekel aan, vanwege hun opzichtigheid en hun lengte. Hij zei, terwijl hij zijn ogen dichtkneep en een rilling door zich heen liet gaan: “Ze zouden zo hoog moeten zijn” – en hij buklte zich en hield een sierlijk gerspreide hand ter hoogte van zijn scheenbeen.” (351).



Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.