Waarde Amice, ik heb geen tijd gehad dezen brief af te maken op den zelfden dag, die mij hem zag beginnen. Er is een maand over heengegaan. Al mijn gasten, waaronder ik ook, zoo als U misschien bekend zal zijn, onzen wederzijdschen amice F. van der Goes heb mogen tellen, zijn vertrokken. Ik ben weêr alleen met mijn vrouw, een meisje uit den kleinen burgerstand, maar die ik om haar groote lieftalligheid... Ik weet nog heel goed, waarop mijn brief van 7 Augustus had nêer moeten komen. Ik had U willen voeren door mijn moestuin en U daar dan, als ge al mijn vette ronde kooltjes zoudt zien staan, willen vragen, of gij niet dacht, dat ik nu zeer gelukkig was.
(...)
Ik zoû het ook wagen nu en dan eens fluisterend Uw aandacht te vestigen op Henri, 92 een Vlaamsche knecht, die ons in het huishouden en in den moestuin helpt, en wiens vlugheid en verstandigheid U wel voldoen zouden.
Lodewijk van Deyssel en Arnold Ising jr., De briefwisseling tussen Lodewijk van Deyssel en Arnold Ising jr. (ed. H.G.M. Prick) · dbnl

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.