donderdag 29 mei 2014

Elsschot en de Moestuin

 Over Elsschot:

"Vertonen de setting en de communicatie in hoofdstuk xiv trekken van het hier in de ‘Opdracht’, in het slothoofdstuk van de roman blijkt een en ander veranderd en doen ze meer aan het daar denken. Dat is in grote mate een effect van de komst van Laarmans' in Polen geboren kleinzoon. Hoofdstuk xxi opent met een beschrijving die tot in de details parallel én tegengesteld is aan de eerder geciteerde. Het gehuil van de wind blijkt verstomd (‘De Noordenwind [...] zit nu thuis’ (127)) en natuur en cultuur gaan - althans in de metaforische verwoording van Laarmans - haast in elkaar op: ‘de bijen en bromvliegen blazen op hun mirliton’.52 Die paradijselijke synthese van natuur en cultuur wordt ook zichtbaar in de moestuin van Willem, waar de gewassen ‘in bonte wanorde door elkander’ staan: ‘zonnebloemen als wagenwielen zoo groot, snijboonen waar geen eind aan komt, nederige aardappelen, keurig gecoiffeerde sla, erwten die pas in Augustus in bloei staan’ (128). Ook de mensen aan de kust zien er nu anders uit: ‘Stekelorum, die achter dien kruiwagen mest liep, staat in zijn zwart pak voor de deur van zijn pension en zendt voortdurend zijn glimlach over de baan in de richting van de tram, van waar de stedelingen moeten aankomen’ (127).

Koen Rymenants
‘Ik zie hem zingen maar hoor hem niet’. Een lectuur van de ‘Opdracht’ bij Elsschots Tsjip (1934)
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 120 · dbnl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.